Privileges voor RAF-kader in JVA Stuttgart Stammheim

“Privileges” voor RAF-kader in JVA Stuttgart Stammheim

Er is veel controverse over de privileges die de RAF-gevangenen van de eerste generatie genoten zouden hebben in de JustizVollzugAnstalt Stuttgart-Stammheim. Volgens sommigen was een dermate grote mate van vrijheid nog nooit eerder vertoond in de geschiedenis van het Duitse gevangeniswezen, volgens anderen was er sprake van “stelselmatige isolatiefolter”. Feit is dat naarmate de jaren verstreken het BundesKriminalAmt steeds meer beperkingen in het regime ophief.
In onderstaand verhoor van hoofdgevangenbewaarder Bubeck, 1,5 jaar na de Todesnacht van 18 oktober 1977, wordt daar wel een aardige “twist” van getoond.
Hilarisch, bizar en onvoorstelbaar tegelijkertijd deze “privileges”.


Koeientouw

De dood van Ulrike Meinhof was veel burgers blijkbaar nog niet genoeg. Een kegelclub stuurde de rechtbank in Stammheim tien mark, waarmee stroppen voor de andere gevangenen konden worden gekocht. De rechter liet het geld als ‘onbekende betaling’ aan de gerechtelijke kas toevoegen. De begeleidende brief werd aan de gevangenen ter hand gesteld. En het waren niet alleen anonieme brieven die hun weg vonden naar de cellen in de speciale veiligheidsvleugel.

Anderhalf jaar later, toen een onderzoekscommissie de omstandigheden rond de dood van Baader, Ensslin en Raspe moest onderzoeken, vroeg Rudolf Schieler, de voorzitter van de commissie, aan gevangenbewaarder Bubeck hoe de relatie van de bewaarders met de gevangenen was geweest.

Alles bij elkaar, vond Bubeck, waren de verhoudingen niet zo slecht geweest. De bewaarders hadden het alleen voor de kiezen gekregen als er buiten ‘iets gebeurd’ was. Schieler vroeg wat hij daarmee bedoelde. ‘Nou ja, dat een of andere anonieme briefschrijver stroppen of dat soort dingen aan de gevangenen had gestuurd, met de aansporing om zich op te hangen en dat die dan door de censuur werden doorgelaten.’

Geïrriteerd vroeg Schieler: ‘De stroppen of de brieven?’ ‘De stroppen en de brieven,’ antwoordde Bubeck. Op het gezicht van de commissieleden tekende zich een ongelovige verbazing af. ‘De stroppen ook?’ vroeg een politicus in de stilte daarna. ‘Ook de stroppen,’ bevestigde Bubeck. ‘De stroppen?’ vroeg de voorzitter nog eens. ‘Ja, de stroppen,’ bevestigde Bubeck.

De commissieleden keken elkaar geschrokken aan. ‘Dat kan toch niet waar zijn,’ liet een van de afgevaardigden zich ontglippen. ‘Jawel, het is waar,’ zei gevangenbewaarder Bubeck. Hij leek nauwelijks te begrijpen wat de commissieleden zo sensationeel vonden aan zijn verhaal. ‘Het kwam allemaal bij ons terecht… de dood van Meinhof werd ons ook aangerekend. Dat waren de dingen die de bewaarders over zich heen kregen.’  ‘Ongelooflijk,’ vond een van de commissieleden.

Voorzitter Schieler zocht naar woorden: ‘Meneer Bubeck, dat is toch een grote… goed, ten eerste wil ik zeggen: we benijden u niet om de zaken waarmee u en uw collega’s zich moesten belasten. De taak van een afgevaardigde is ook niet altijd even gemakkelijk…’ Schielers collega’s schoten in de lach.

Een afgevaardigde van de cdu gooide ertussendoor: ‘Maar dat doen we toch liever!’ Toen het gelach was verstomd, nam de voorzitter weer het woord: ‘Het is een nogal grote verrassing die u ons voorschotelt met de verklaring dat voorwerpen als stroppen door de brieven- of postcensuur zijn doorgelaten, evenals de bijgevoegde schriftelijke aansporing dat ze zich ermee konden ophangen.’ Weer werd er gelachen.

‘Ja, die zijn doorgelaten,’ knikte Bubeck. De voorzitter verifieerde: ‘Wie is er in de strafinrichting verantwoordelijk voor de brievencensuur en dit soepzooitje in ’t algemeen?’ ‘Dat was niet de inrichting, dat was het college.’ De afgevaardigden stonden met de mond vol tanden. Dat de leiding van de inrichting zulke dingen doorliet, assistent-assistenten misschien, dat konden ze met moeite nog wel volgen, maar dat een rechtbankvoorzitter een strop liet passeren, ging hun verbeeldingskracht te boven. ‘Dat was het college,’ stelde voorzitter Schieler vast. ‘Heeft het college de stroppen ook zelf gezien?’ vroeg een van de afgevaardigden. ‘Ja,’ zei Bubeck.

‘Ze hebben de stroppen gezien en doorgelaten?’ herhaalde een ander ongelovig. ‘Ja.’ ‘Wat waren dat dan voor stroppen?’ vroeg de voorzitter. De bewaarder stak zijn armen uit en gaf een lengte van ongeveer tachtig centimeter aan. ‘Zo lang ongeveer… van henneptouw…’ ‘Van normale ophangsterkte,’ zei Schieler. Nee, iets minder,’ corrigeerde Bubeck, ‘een gewoon koeientouw, maar wel…’ Schieler maakte de zin af ‘…sterk genoeg…’ ‘Sterk genoeg,’ bevestigde de gevangenbewaarder, ‘waarbij ik echter wel moet zeggen dat er in de inrichting natuurlijk meer van zulke dingen te vinden waren die niet waren opgestuurd…’

Een paar afgevaardigden zeiden tegelijk, op zijn Zwabisch, zoals de hele ondervraging was verlopen: ‘Dasj wat anders…’

‘Aan wie was de brief geadresseerd?’ vroeg een afgevaardigde. Voor Bubeck antwoord kon geven, zei de voorzitter: ‘Nou moet ik toch even een stomme vraag stellen: als een brief langs de postkeuring van de rechtbank komt, kunt u de voorwerpen die desondanks tegen de veiligheid van de inrichting indruisen en die bij een brief zijn gedaan tegenhouden, móet u ze ook niet tegenhouden?’ Een commissielid riep ertussendoor: ‘Hoe zat dat dan met wapens?’ Bubeck draaide zich om: ‘Als u het over wapens heeft, ja, bij wapens spreekt dat natuurlijk vanzelf, maar met die strop hadden we geen…’

Een afgevaardigde dacht hardop: ‘Kwamen die pistolen dan ook met de post?’
In de zaal werd gelachen.

Uit: Stefan Aust Der Baader-Meinhof Complex